Tussen ratio en fingerspitzengefühl

In de afgelopen decennia van het gebiedsgebonden politiewerk in Nederland zijn diverse benamingen voor de agent de revue gepasseerd. Was het in de jaren zestig en zeventig simpelweg de wijkagent die als aanspreekpunt van de politie naar voren werd geschoven, in de jaren negentig en de jaren nul van de eenentwintigste eeuw vervulden ook de buurtbrigadier, de buurtagent, de netwerkinspecteur en de buurtregisseur het edele ambt. Met de komst van de Nationale Politie wordt deze veelheid weer gereduceerd tot één benaming; de wijkagent. Voornaamste en wat mij betreft ook doorslaggevend argument is de herkenbaarheid naar de burger. Iedereen kent de wijkagent; al het andere schept verwarring.

Toch zou het zonde zijn om de hele kwestie met een simpele pennenstreek af te doen zonder oog te hebben voor de inhoudelijke achtergrond van de voormalige diversiteit. Immers, de korpschefs van weleer hadden ongetwijfeld zo hun redenen voor het kiezen van al die verschillende benamingen.

Dit artikel verscheen eerder in TvP

Dit artikel verscheen eerder in TvP. Klik om te lezen.

Het eerste dat opvalt is dat de alternatieve opties bijna allemaal reppen over de buurt in plaats van de wijk. De buurt betreft een fijnmaziger niveau dan de wijk en veronderstelt meer nabijheid tot de burger. Blijkbaar was de wens achter deze gedachte dat de agent in kwestie nog specifieker politiewerk diende te verrrichten. Een tweede kenmerk van de typeringen is de nadruk op samenwerking. De gebiedsgebonden politieman van de eenentwintigste eeuw opereert niet alleen, maar in een netwerk van partners. Hij wordt zelfs verondersteld de regie te voeren, zodat niet alles op het bordje van de politie komt. Het ideaalbeeld van een moderne gebiedsgebonden agent lijkt dus tweeledig: enerzijds de menselijke dichtbijpolitieman en anderzijds de analytische probleemregisseur.

Beide rollen vereisen totaal verschillende competenties en het is zeer de vraag of deze in één persoon te verenigen zijn. De dichtbijpolitieman acteert vooral op basis van ervaring, mensenkennis en sociale intelligentie; hij voelt aan wat in specifieke situaties de juiste oplossing is en handelt navenant. Deze vorm van professionaliteit is er eentje die je in de vingers moet hebben;. Een probleemregisseur daarentegen gaat te werk op basis van een zorgvuldige analyse van het probleem. Hij maakt een bewuste keuze voor een specifieke aanpak en voert deze stapsgewijs met partners uit. Deze vorm van professionaliteit zit vooral in het hoofd.

Nu de functie qua naamgeving wordt platgeslagen is de vraag welke kant de nieuwe wijkagent op zal gaan. Het gedroomde antwoord (‘beide’) is een mooi streven, maar lijkt een utopie als we de wijkagent alleen in woorden centraal stellen. De spilfunctie krijgt pas echt waarde als we kritisch durven kijken naar een aantal cruciale vragen. Geven we de buurtproblemen van de gebiedsgebonden diender werkelijk prioriteit of gaat alle aandacht naar nationale of regionale thema’s? Onderkennen we dat buurtvraagstukken geen futiele burgerernissen zijn, maar complexe, maatschappelijke vraagstukkken die raken aan de kern van onze organisatie? Zijn we bereid om binnen de recherche ruimte te maken voor gebiedsgebonden opsporing? Betrekken we leiddinggevenden bij het maken en uitvoeren van een doordacht plan van aanpak; of blijven we de weerbarstige praktijk te lijf gaan met ‘kennen en gekend worden’ en af en toe een surveillance-auto vanuit het basisteam?

Het is goed dat de wijkagent weer de wijkagent wordt, maar laten we hen ditmaal beter faciliteren. We bieden de professionele ruimte om op basis van het fingerspitzengefühl te acteren én ondersteunen hen om complexe vraagstukken juist het hoofd te bieden.